Español

Henk van der Waal

PROMETEO
Latinoamerican Poetry Magazine
84-85. July 2008.

Henk van der Waal

(The Netherlands, 1960)

 

 

 

Uit De windsels van de sfinx, Queriodo 1995

 

 

Als ik daar in volledige verstrooiing
lig, in onmin met het karmozijnrood geuren van
de dingen, en voel hoe een vale mist verdeeldheid
zaait onder mijn ultiemste huiveringen en hoe
een hand vol stenen mijn verleden schrapt
tot ik uur na uur er nooit
geweest zal zijn,

laat dan je blanke buik een poging wagen
mij als Osiris uit de tweespalt terug te dragen
door de taal te spreken van ons geheim en minzaam
alfabet, hoezeer mijn lendenen het zaad ook
zullen weigeren en het bewaarheid wordt
dat ik alleen als schim
een god kan zijn.

* * *


Uit de serie ‘Stof ter ontraadseling’ 

 

 

Of zoals
wanneer het buiten
regent en je je uitstrekt en
lang maakt en langzaam doortastbaar
laat zodat het water ook van binnen kan
gaan stromen als voorproefje van al het
oeverloze dat komen gaat

simpelweg omdat de stilte,
waar het gonzen van de dingen uit is weggelekt, nu
al aanspraak op je maakt en een vermoeden in je wakker
roept van hoe het zijn zal als je buiten adem over de rand
van de toekomst gekropen bent om je in de gedaante der
mensen aan het menselijke te onttrekken en te wachten
op de streling van de hand die alles weet.

 

* * *


Uit de serie ‘Stof ter ontraadseling

 

 

Zeer onzeker is het of er tegen
die tijd niet neergekeken zal worden op
je zojuist verworven waterdunne eenzaamheid, zoals
op een voetbalspeler die plotseling beseft dat hij buitenspel
moet staan: de fluit heeft geklonken, maar hij heeft het
teken van de goden niet gehoord en is verder
gegaan, niet wetend al wetend,

en is ondanks het vaste doel voor
ogen een verdwaalde geworden, een zwerver van wie elke
stap een misstap is, elk woord een vloek, een opgegevene die
nog voortgaat, hoe de grond ook lokt, wachtend op de sliding, die
uitblijft, zodat er niets anders op zit dan doorlopen en
doorlopen en ingaan in de gelukzaligheid van
het uitgesloten zijn.

* * *

 


Uit de serie  ‘Uitgeteld

 

 

Hee dreumus in het onderwaterparadijs,
zie je daar die rode zonnegloed, of ben je niets
dan ogen tegen water; en het bonken en bonzen van de
stad, hoor je dat, of ben je alleen maar oren vol vocht
die deinen op de golven van je betoverde heelal waar
de wetten van het tussen nog niet gelden en
waarover derhalve niets te melden valt.

Maar als ik hier mijn hand nu leg, dan
voel ik hoe jouw handen, zonder krijt of letters
van het alfabet, daar de tekens van een magisch schrift
in branden – die ik als een bezeten blinde lees, omdat ze
mij misschien het een en ander kunnen zeggen over
kleur en melodie van het zingend zwijgen dat
ik hierbuiten zo lang al node mis.

* * *


 

 

Klop klop op de berg zo bol als de
wereld, trippel trippel naar de top van de
lachspiegelbuik en… boem boem, daar krijg ik
een schop en val ik pardoes door de stugge feiten
des vlezes en staat voor even de deur op een
kier naar het begin zonder eind
dat later verleden heet,

en oei, daar raak ik verward in het broze
mysterie van ingekeerd leven, en aai aai, daar
strijk ik over je bol in de baarbol die zich draait
als de aardbol om de planeten en kan ik niets dan wachten
tot je krijsend het strijdperk komt binnengetreden voor
het kunststuk dat je neer zult gaan zetten tussen
de vier muren van deze weerbarstige tijd.

* * *


Uit De aantochtster, Querido 2003

Uit de serie ‘toebereidselen

 

als je in    uiterste individualiteit, in afzondering dus van
al het andere en al het mogelijke, in    intense eigenheid dus ook, die
hard lijkt als diamant en optimaal tijdweerbarstig als leegte, als
je daar op zoek gaat naar feiten en ontdekt hoe stuurloos
je ogen dansen in hun kassen en hoe verstrikt je denken
zit in andermans gedachten, is de conclusie gauw
getrokken dat de hersenschim die je zelf      ..
                  op de troon hebt geholpen,
je uit handen is gevallen,
uit je hoofd is
gedampt

wat je misschien jammer vindt maar je wel bevoorrecht,
bevrijd als je bent van zorg om zelf en van verleden dat bindt aan
gewoonte                   en van schaamte om schamele vertoning
bij naaktheid; en wat je in die toestand gewaar wordt?
mist misschien of regen of de vuurspuwende kop
van de tijd, of, als je een gelukkige bent, het
aanbrommen van de goedertierenheid
van de aandrijfster, voor wie je
rouw om eigen afwezigheid
voldoende kan zijn
om toch

aan te leggen aan je hart

zand te strooien over je ziel

je holte te vullen met marsepein

 

 

* * *


Uit de serie ‘Zo is zij

 

 

zonder ben je prooi van jezelf, een vuist die zich samenknijpt om een bundeltje
punaises, een verstoring van ritme, een verprutser van heden, een ladder zonder
einde, een religie zonder contrapunt

zonder ben je niet bekommerd, zet verbittering zich vast in je blik, maakt mededogen
plaats voor wraak, verzuimt de voorbijgang aanstreling te leggen op het vrije dat in je
uitstaat

zonder verroest de eenvoud, laat de twijfel zijn vette vingers achter op de icoon die
in je hoofd zwerft, verzaakt de liefde je een huis te geven, is je lichaam niet meer
dan een vat vol prullen,

een hoop honger met een spierstelsel als omlijsting

wat als enig voordeel heeft dat het wachting wekt naar licht om het innerlijkste in
je te stichten, naar hitte om het binnenste in je aan te wakkeren, naar aarde om het
liefste in je te begraven – 

wat zij kan als zij je wegtrekt uit het loeien van de bestaanbaarheid
wat zij kan als zij de stenen voor je opvangt die uit de hemel vallen
wat zij kan als zij naakt zont op het strand waar het sterven aanspoelt

wat zij kan als zij zijn kan

 

* * *

zij bespoedigt zich niet in het afgekloven ideaal van medemenselijkheid of in werken
van welke aard ook; wel is ze op komst zodra je je gezocht weet of misschien zelfs
wel getroost vanwege het neerslaan van schoonheid

of, wat ook kan, vanwege het opstijgen van de bloesemende welriekendheid die door
je dood heen tot je komt en je inbedt in wezen en je stil zet in het aanhoudend gonzen
van voorgeborchte

waar de uitgebreidheid klef om je heen wordt gelegd in afwachting van de
verdwijning die zij je bereidt

 

als een vlieg op de stroop komt zij namelijk af op sterfelijkheid

en strijkt dan haar handen in tegen de wijzers van de klok en legt een knoop in je
denken: niet als opmaat voor einde, maar als voorproefje van aanvang bindt ze
je gratis en voor niks de vlerken aan die je terug zullen wenken –

zo is zij
zo doet zij
zo geeft zij

zo is zij te goed

* * *


Uit de serie ‘Nomenclatura

 

de vierde persoon enkelvoud

waarom zouden die niet bij je zijn, die paar woorden van een toevalling die
de mond brak maken: in  plaats van je stilletjes te verkneukelen over de
dood van god en te roepen: zie mij eens, hoe vrij ik ben en opstandig,
vermag je misschien ontvangst te sonderen omtrent hoe de
ontwrichtster de ouwel van de toekomst verkruimelt
op de tong van de tot zich beperkten

die vervanging zoekers in lust en ontwijkers van

de vierde persoon enkelvoud

die halsbreekster en bandeloze jaknikster

die het uiterste geeft en ten
behoeve van de terugdeinzers
voor de dood met fluwelen hand
dominosteentjes uit de rij tegen elkaar
tikkende seconden tilt tot niets meer voort valt en de
tijdgevoeligen gehouden zijn in het nooit van wat wordt: puur hoop

 


* * *

Uit Vreemdgang, Querido 2007

Uit de serie ‘die vervloekte oorspronkelijkheid

 

wat er van je overblijft als er in je lichtkoepel van geborgenheid plotseling een schuurmachine aanslaat die met grove korrel de opperlaag van geluk van je huid schraapt en de zenuwuiteinden van je gevoel sloopt om je zonder omhulling of waarneming achter te laten

is je bodem, is de rest waarin je bent en waarin tot je stomme verbazing gift ligt opgeslagen, vrijheid, ruimte en ook de lucht waarmee je heel zacht en zonder haat en afzender natuurlijk onbekend haar ziel aanrilt, zodat zij bijna zonder het te merken nog een laatste keer huivert van jouw adem en opstijgt van het verheugsel in jouw aanraking
                                                                     
hoezeer jouw bestaan ook dooft in de tocht die ruist onder het aanwezige waarin zij omloopt

* * *

 

waarom verwaarloos je dat flinterdunne membraan dat alle trillingen aan de binnenkant van je wezen registreert: nog voor iemand een vinger wijst, verstar je dat wonder van gevoeligheid met angst en bezitsdrang tot je verraad bent aan die verstuiving van innerlijke vrijgevigheid

misschien omdat je niet durft te kijken als je leven in de mist wordt gehangen, als je als een snoer de haspel in wordt getrokken, als je in de bedreiging zelf, in de aanval, in de bij de anderen gedetecteerde lust je te reglementeren en te kleineren, niet de mogelijkheid ziet je te keren, je te waarborgen: toch heb je aan de rand van je uitzondering het meeste kans het wijkende licht te vangen

word donker als de nacht, breid je open, span het spieraam van de tijd: wie weet hangt ze nog een keer haar diepe woorden op aan de spijker in je hart

* * *


 

 

uit pure hoogmoed dan wel uit pure waanzin
voor al dezen en ook nog eens
voor alle anderen en komenden en geweesten
bepalen wat ze te beschouwen hebben
als het hun geheime weten, als het hun intiemste bezoekselte,
als het in hen gestrande continent
waaruit opwasemend ze ondergedompeld zijn zodra
ze ogen sluiten of het aanmerkelijk belang
in hun uitstaande toestand herkennen van de ondergrondse
vogel die het met stomme stem in hen uitschreeuwt
                           
wat de meesten meestal gewaar worden als een
bestemmingloos zeuren dat tegen de slapen van hun
aandachtszone schampt, maar dat bij de iets verder
gevorderden een bewustheid genereert van een
praktisch witte, vrijwel smetteloze binnenwaartse zwaarte: 

die opwaarts te houden stelt vreugde in je dienstbaar, die
vrij te laten windt wijding op in de holte van je wezing

 

* * *


Uit de serie ‘het kroelen van de verweesde engel’

gelooft toch niemand dat iemand in het midden
van alles een klok heeft opgehangen

toch voel je de tocht van milde voortgang langs
de zijden wanden van je binnenkamer stromen
en waan je je gebonden aan het schurken van
planten en dieren tegen het hen drijvende en
merk je hoe vrijwel alle voorwerpen stukje bij beetje
uit hun tijdsgewricht zakken, wat je ook
zelf overkomt als je de orderoeper in je hoofd
ontslaat en wegstuurt en je het zich ontrollende
jou openende je binnenste vreemdheid vullende
in je op laat schuimen:

ja, wie het kroelen van de verweesde engel in
zijn persoonlijke aangelegenheid tekeer laat
gaan, weet niet van zich te zijn en laat zijn
dwaalgast tijd keren, het valluik onder zijn
denken wegtrekken, een paar extra ogen in zijn
zijpanelen plaatsen
 

* * *


Uit de serie ‘die het derwaartse aan je waagt

 

 

behalve kans ben je ook stilte die huift in het
zielende, een donkere kring van zwavel die
overblijft na ruiming van het riekend verderf, een
manifestatie die niet is terug te brengen tot het hier
en het nu, noch is te isoleren van het omvattende
waar je uiteindelijk heus wel de voortplanting voor
laat schieten, vooral omdat het je koesterende erin
gehandhaafd is en je stiekem wel weet dat zonder
het uitwaaierende waarop je in al je denken en doen
bent betrokken slechts het wijten in de egokaders en
de genoegdoening aan het eigene overblijft

dus cultiveer je de bereidwilligheid die kiemt in de
voren van je denkklier en laat je je hand dwalen
door de onderstroom van je zelfheid en stel je je in
het besef dat in elk woord de medemenselijken zijn
aangeroepen en het soortelijk gewicht van je
bestaan op de weegschaal is gelegd

en dus draal je niet langer en laat je de komende in
je wezen oprijzen, want zij is het die het derwaartse
aan je waagt

probeer daar notie van te nemen en je herseninhoud
dermate te schonen dat die Trojaanse merrie erin op
kan galopperen zodat je belaagd, overmeesterd,
bestoven, ofte wel:

vοnk

vυυr

vrιj

 

 

* * *

met niks, ook niet met hard werken of veel televisie
kijken, kun je de dood bezweren

toch ben je gehouden om in het niemandsland van
de verweesden op zoek te gaan naar het kiemende
en verbindende, simpelweg omdat je ondanks je
eigengereidheid en je op jezelf betrokkenheid op
overgave staat zodra de dood zich te gast noodt in
het je levende,

wat je door hebt gekregen sinds een vertrokkene je
in de eeuwigheid van zijn afwezigheid heeft
achtergelaten en je gevangen heeft gezet in het
geheim van je breekbaarheid en je onzeker heeft
gelaten over het zich uit hem je toeneigende

waardoor je verschrankt bent geraakt aan zijn ziel,
openbaar bent geworden als beeld van zijn gestalte,
als waagsel rond zijn einde, als luchtbel in zijn
wezen, in welke hoedanigheid je naam is uitgehold,
je woorden zijn opengesneden, je vermogen is
verschrompeld

waardoor je nu last bent aan de blik der verschrikte
en aan de huiver der geweeste en je wel toevlucht
moet nemen tot de moederlijke die zich zonder
schroom of winstbejag verwaardigt bloemen te
weven in je angst, de toekomstige dode in je ogen te
kussen en je te bergen in de weelde van

haar lυcht

haar lαch

haar lιcht

Fredy Amariles

Henk van der Waal  writes poetry with a melodious, eroticising use of words. In his poems, those words often have a forward-propelling effect. What is striking is that he does not shy away from intelligence or erudition. Van der Waal is classical and modern in one. He made his debut in 1995 with the collection De windsels van de sfinx (The Sphinx’s Swathing Bands). “The lines themselves consist of long sentences that could be conceived as swathing bands. These swathing bands of words, when unravelled, revealed an enigmatic silence,” essayist Maarten Doorman wrote. Bibliography Vreemdgang, Querido, Amsterdam 2007. De aantochtster, Querido, Amsterdam 2003. Schuldsanering, Querido, Amsterdam 2000. De windsels van de sfinx, Querido, Amsterdam 1995.

Última actualización: 28/06/2018