English

Bélgica, Luuk Gruwez, 2005.

DE COLOMBIAANSE DONKERTE

Tussen 24 juni en 2 juli vond in het Colombiaanse Medellín voor de vijftiende keer het internationale poëziefestival plaats, intussen allicht het grootste ter wereld. Luuk Gruwez hield er een journaal bij.

Remco Campert, K. Michel, Arjen Duinker en Stefan Hertmans waren tot dusver de enige Nederlandstaligen. Dit jaar zijn Gerrit Komrij en ikzelf van de partij. Samen met Totje ben ik hiernaartoe gereisd voor het poëziefestival dat van zichzelf beweert het grootste ter wereld te zijn. De organisatoren verwachten, over negen dagen verspreid, meer dan honderdduizend toehoorders. Wij zijn uiteraard op de hoogte van de reputatie die Medellín aan zijn drugskartels heeft overgehouden. Daarom is het dat wij een afgedankt, met zwarte tape dichtgekleefd fototoestel hebben meegebracht. (Hartje Medellín, in de clinica de camera, zal het toestel, waarvan de reparatie in België afgeraden werd vanwege te duur, op minder dan een kwartier en voor geen geld perfect worden hersteld.)

Ik word meteen verliefd op deze chaotische stad, waarvan de lucht extreem vervuild is en waar het haast niet mogelijk is zonder oordopjes te slapen. Bovendien kan ik niet weerstaan aan de overdrijving dat ik me downtown minder bedreigd voel dan op de Antwerpse Meir, zelfs 's avonds wanneer wij na een restaurantbezoek heupwiegend langs de salsabars lopen. (Eén enkele keer zal in de buurt van het hotel het volk rondom ons uiteenstuiven wanneer een dief door een politieman met het geweer in de aanslag wordt achternagezeten.)

Medellín ligt, bijna 1.500 meter hoog, in een door het Andesgebergte gevormde kom. De basis ervan is modern, met een warenhuis als Exito, dat niet hoeft onder te doen voor wat wij in Europa gewoon zijn, maar wel veel politieagenten voor zijn deuren posteert. Tegen de heuvels aan ligt de armoede, een bezienswaardigheid die door de natuur schaamteloos wordt uitgestald. Vanuit de sloppenwijken fonkelen 's nachts duizenden lichtjes als evenveel noodsignalen. Daar, ver van ons, ligt een gewelddadiger Medellín, dat van de paramilitares, het Medellín dat ook diep in de ziel van al die prachtige, sensuele, sentimentele, melancholieke en tegelijk blije Colombianen leeft. Maar vanwaar toch die dreigende donkerte achter hun wimpers?

Er is in Nederlandse vertaling onlangs een roman verschenen die in deze stad speelt. Hij is van de hand van Jorge Franco, rijzende ster in de Colombiaanse literatuur, en heet Rosario. De openingszin is onverwoestbaar: 'Aangezien Rosario werd neergeschoten terwijl ze stond te zoenen, verwarde ze de pijn van de liefde met die van de dood.' Van dit soort paradoxen is de hele stad doordesemd. Ik krijg later een mailtje van Mauricio Ramirez, de acteur die de vertalingen van mijn gedichten zal lezen: 'Here all feelings and sensations are disturbing and you don't know whom to love, whom to hate, when to bite or when to die.'

Intussen vindt tegen zonsondergang de inauguratie van het festival plaats in het Teatro al aire libre Carlos Vieco, waar zo'n kleine vijfduizend mensen zijn komen opdagen. Wanneer die merken dat ook de Nicaraguaanse dichter Ernesto Cardenal - ooit lid van het sandinistische bevrijdingsfront - zich bij ons bevindt, juichen zij hem uitzinnig toe. De dichters dalen met zijn allen af en nemen plaats op het podium. Antjie Krog uit Zuid-Afrika leest charismatisch en flamboyant voor over haar geboortegrond, de Engelsman James Fenton blijft mij bij met wat ik als een van de mooiste gedichten van het festival zal ervaren: What would the dead want from us/ Watching from their cave? Cardenal sluit uiteraard de avond af. Ik ben, het Spaans onmachtig, helaas aangewezen op die ene Engelse vertaling in de bloemlezing van het organiserende tijdschrift Prometeo, 'Prayer for Marilyn Monroe', en ik moet toegeven dat het gedicht mij voor zijn dichter inneemt.

Al snel wordt mij duidelijk dat hier, in weerwil van een aantal professoren onder de dichters, een zeker anti-academisme heerst. Poëzie is er voor het volk, zal een stem geven aan de stemlozen. Er zijn ergere dogma's. Overal hangt hetzelfde spandoek: Por una paz mas activa que todas las guerras. Verzen moeten kennelijk iets zien te verwezenlijken waartoe ik ze nooit in staat heb geacht: vrede. Colombianen schamen zich niet voor hun naïviteit en dat neemt mij juist voor hen in. Zeker wanneer ik later op de avond Mauricio Ramirez, mijn voorlezer, ontmoet. Hij lijkt in zijn lichaam een land te verenigen dat ik mij nu al grotendeels kan voorstellen: vrolijkheid aan wanhoop gekoppeld, weemoed aan de zelfbewuste blik van de matador, salsa aan tristeza. Hij is vijfentwintig. Meteen herinner ik mij hoe ik zelf op die leeftijd was: hoopvol en verloren.

De armoede is dan toch niet helemaal uit het centrum van de stad gebannen: op het trottoir, tegen een deur aan, zit een kind - drie, vier jaar oud misschien - zijn slapende moeder met een griezelige deskundigheid te ontluizen. Wij zijn onderweg naar een van de vele lezingen, die van de poetas europeos, waartoe vandaag onder meer de Duitser Michael Augustin en de Griek Kostis Gimosoulis behoren. Gimosoulis, dat is de dichter die vindt dat wij spelletjes moeten spelen met de dood: die mag namelijk niet te eenzaam worden. En Augustin stelt in zijn gedicht 'Über Gedichte' geheel terecht: 'Gedichte gab es schon bevor es Dichter gab.' Dichters hoeven van zichzelf niet te vinden dat zij belangrijker dan gedichten zijn, laat staan dan hun niet dichtende medemensen - zeker niet in Medellín. Het is waar dat zij belangrijk worden gevonden, maar dan toch enkel op plekken waar aan de basisbehoeften is voldaan. En de stemlozen: daarmee maken wij pas echt kennis in de sloppenwijk Santo Domingo Savio. Daar zit een sukkeltje van 84, niet veel meer dan één ellendig metertje groot, maar omgeven door een onnoemelijk vijandig heelal. Zij nodigt ons samen met Mauricio uit in een van de twee kamertjes die met beeltenissen van de Moedermaagd behangen zijn.

Zij bidt veel, zegt zij, dag en nacht. En zij moet huilen, dag en nacht. In de deuropening naar de andere kamer zit haar dochter, van wie nog niet zo lang geleden een zoon is neergeknald. De paramilitares, die in deze sloppen verblijf houden, zorgen af en toe voor een respectabel bloedbad. Ook twee enigszins ritsig ogende kleindochters hokken hier. Als volleerde revuemeisjes springen zij tevoorschijn vanuit de coulissen die door een zijgangetje worden gevormd. Zelfs Mauricio, afkomstig uit een 'betere' armenbuurt, is nog niet eerder in deze wijk geweest. Bovendien hebben de mensen in dit armetierige stulpje nooit buitenlanders te gast gehad. Wij moeten limonade drinken. Wij moeten luisteren. Misère heeft veel lippen nodig. Zij laten ons niet los, ook niet nadat wij bij hen zijn weggegaan. Maar 's avonds, downtown, kijken wij weer comfortabel naar al dat gefonkel in de heuvels. En een van die lampjes is het hunne. En al die lampjes samen zijn van niemand. Daar komen geen dichters.

Met Gerrit Komrij en de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Wole Soyinka neem ik deel aan een openluchtlezing op de Plazoleta de los Pies Descalzos en een dag later opnieuw met Gerrit, maar nu ook met James Fenton in het Palacio de la Cultura Rafael Uribe Uribe. Het contact met de vaak jonge toehoorders verloopt verbazingwekkend hartelijk: ik wens het publiek 'Buenas tardes' toe en anderhalve seconde later krijg ik van de zaal, nooit te beroerd voor een antwoord, een collectief 'Buenas tardes' terug.

In hoever is de indruk die een dichter hier heel misschien zal nalaten, een vervalsing? Natuurlijk is het mede de verdienste van Mauricio dat ik ondanks mijn hypochondrische jamben godbetert om mijn humor word geprezen. Na zijn voordracht wordt hij, evenzeer als de dichters zelf, overstelpt door autogrammenjagers. Eén vrouw stopt mij een briefje toe waarop ze míjn Nederlands en zíjn Castiliaans (want zo moet ik het Spaans van hier noemen) bestempelt als 'el matrimonio perfecto'. Niet van enig opportunisme gespeend, breng ik mijn gedichten over dikke mensen: waar defileren die beter dan in dit land van Fernando Botero, dikkemensenkunstenaar bij uitstek en baldadig boulimistisch present, altijd weer op zijn zondags, in het Museo de Antioquia en op de naar hem genoemde Plaza?

De Roemeen Dorin Popa maakt zijn entree. Hier is lang op gewacht. Het festival, onvermijdelijk een kermis der ijdelheden, is er - zoveel is zeker - alleen tot zíjn glorie. Al is mij door grotere ijdeltuiten dan ikzelf al een paar keer ijdelheid aangewreven, wat deze man laat zien slaat alles. Op elk moment van de dag moet een jonge, recht uit het Karpatendom meegesmokkelde, honingblonde schat om hem heen fladderen, de camera paraat. Zij moet ten bate van het Karpatische patrimonium het besnorde Karpatengenie op de gevoelige plaat vastleggen. Het kan voor een dichter absoluut geen kwaad zich thans het beeld van het omaatje uit de sloppenwijk van Santo Domingo Savio voor de geest te halen.

Wat is toch zo aantrekkelijk aan die festivals? Het toegewijde publiek? De vriendschappen voor eeuwig en één dag die achteraf toch maar van korte duur blijken te zijn? Het besef in een alternatieve wereld te zijn beland en nog even te mogen deelnemen aan een leven dat nieuwe kansen lijkt te beloven? Voor literaire vijandschap is hier bovendien maar weinig tijd en daardoor heerst er een prekritisch, arcadisch klimaat, waarin dichters elkaar over de bol aaien en overstelpen met lieftalligheden en attenties. Maar welke wereld is de echte?

Voor één dag en één nacht worden de Venezolaan Adhely Rivero, Antjie Krog, Totje en ik naar Cali overgevlogen, de andere beruchte metropool. Wij zijn op een steenworp van de evenaar. Op een voelbare zucht van de Stille Oceaan. 's Middags lezen we voor in een armenbuurt en 's avonds strijken we neer in het stedelijke culturele centrum. Er gaapt een kloof tussen beide plekken en opnieuw laten de armsten ons het moeilijkst los: ergens toch moet er een Messias zijn, zeker onder welbespraakten als dichters. Maar anders dan in Medellín, waarmee Cali rivaliseert, gaat aan onze lezingen een aandoenlijk gekweelde nationale hymne vooraf. Ik kan mijn slecht gecaste, defensierijke West-Europese glimlach amper bedwingen.

Wij zijn tijdig terug in Medellín voor de apotheose van het festival. Het Teatro al aire libro zit met zijn kleine vijfduizend toehoorders opnieuw vol. De Colombiaanse televisie zendt alles rechtstreeks uit, vier uur lang, zonder enige entr'acte. Een na een komen de dichters nog eens kort aan de beurt. Tussen de gedichten door weerklinken leuzen van linkse signatuur. Pas tegen het eind aan verslapt de aandacht van het publiek. Mijn ogen zoeken Mauricio, van wie ik hoop dat hij tijdig zal opdagen. Het afscheid in al zijn gedaanten komt eraan: vanavond wordt er alvast een punt achter onze samenwerking gezet. En dan volgt allicht het definitieve afscheid in wat bij uitstek toch al de stad van het afscheid is. Het is weinig waarschijnlijk dat ik hier ooit terugkom, maar o wat zal ik Medellín missen en dat omaatje uit Medellín en de lampjes van Santo Domingo Savio en Mauricio, met ook achter zíjn wimpers die Colombiaanse donkerte. En vooruit: wat zal ik zelfs de dichters missen. Breyten Breytenbach sluit het festival af en leest een gedicht voor over de dichter die hij zelf is: 'Zie toch hoe onschadelijk hij is, wees hem toch genadig.'

LUUK GRUWEZ


Met dank aan het Vlaams Fonds voor de Letteren, dat de reis naar Medellín gefinancierd heeft.
Última actualización: 06/07/2018